Vereniging van adviesraden die de lokale overheid adviseren vanuit het inwonersperspectief

Samen is moeilijker dan het lijkt

Samenwerken is al lange tijd heel belangrijk in het sociaal domein. Beleidsmakers, organisaties en de professionals die er werken, mensen die actief zijn in burgerinitiatieven en individuele burgers hoor je allemaal zeggen dat het belangrijk is om samen te werken, omdat 'de problemen die we tegen komen nu eenmaal ingewikkeld zijn'. De Wmo was er eigenlijk op gericht om op lokaal niveau samenwerking in het sociaal domein beter mogelijk te maken. Maar toch lijkt het niet altijd goed te lukken. Hoe komt dat nou? Ik ben zelf bestuurskundige en ik denk dat we bestuurskunde nodig hebben om het bestuurskundige probleem te zien dat samenwerking moeilijk maakt.

Door Duco Banninkvrijdag 17 mei

It takes a village to raise a child stond in een recente blog op de pagina van de Koepel ASD en die opmerking is volkomen terecht. Dat gaat niet alleen om het sociale netwerk van ouders, maar zonodig ook om het hele netwerk van professionele hulpverleners daaromheen en zo wordt ook het netwerk dat daar weer achter ligt betrokken. Dat zijn de beleidsmakers die het zorgveld inrichten en de zorgorganisaties waarin de professionals werken. De bestuurskundige vraag is vervolgens: op welke manier kunnen we er voor zorgen dat al deze (technische term) “actoren” daadwerkelijk een “village” gaan vormen?

De “village” en de “actoren”

Bij de inrichting van het sociaal domein zien we heel vaak deze logica: de “village” is voor iedereen belangrijk, dus “alle actoren” dragen er aan bij zo gauw ze dit gezamenlijke belang onderkennen. Helaas werkt dat niet zo. Het is heel belangrijk om altijd en systematisch een onderscheid te blijven maken tussen de gezamenlijke doelstelling van de “village” en de eigen doelstellingen van de “actoren.” De inrichting van een gezamenlijk gedragen sociaal domein is een “probleem van collectieve actie.” De verschillende actoren kijken naar het sociaal domein vanuit hun eigen “perspectief.” De schuldhulpverlening kijkt als schuldhulpverlening, de maatschappelijke zorg kijkt als maatschappelijke zorg, de school kijkt als school, het buurtwerk kijkt als buurtwerk, in verschillende burgers zien we allerlei verschillende perspectieven.

Hoe komen we dus tot een goede samenwerking?

Samenwerking is niet gezamenlijk bepalen wat het gezamenlijke probleem is en vervolgens hopen dat de actoren hun eigen perspectief verlaten en zich op het gezamenlijke probleem richten. Deze logica werkt niet en dat komt omdat die logica de actoren niet serieus neemt. Als burger, schuldhulpverlening, maatschappelijke zorg, school, buurwerk, ben je opeens een schakeltje geworden in het project van iemand anders.

Je moet beseffen dat iedere actor op zijn eigen manier naar de gezamenlijke doelstelling kijkt. Een potentiële partner heeft pas zin om met jou samen te werken, als die samenwerking iets oplevert in het perspectief van die partner. Samenwerken gaat dus niet om samen iets groters maken, maar om onderling afstemmen: op welke manier zou die potentiële partner kunnen helpen bij mijn doelstelling? Én: waarom zou die dat willen?

Niet verticaal, maar horizontaal

Bestuurskundig doe ik hier dus een pleidooi vóór horizontale en tégen verticale afstemming. Ik adviseer om juist niet nog een keer aan alle actoren uit te leggen dat het beter is voor iedereen dat we samen het hogere doel gaan bereiken. Dit noem ik verticaal: samenwerken vanwege het hogere doel. Dat het hogere doel dichterbij komt door samenwerking heeft iedereen heus wel in gedachten, maar dat is het probleem niet. Ik adviseer om te proberen in kaart te brengen wat het perspectief van de potentiële partner zélf is en te proberen om te kijken waarom die partner jou zou willen helpen. Dat noem ik horizontaal: samenwerken omdat dit de doelstelling van jezelf en de doelstelling van de potentiële partner dichterbij brengt.

Serieus nemen van de andere actor betekent: de potentiële partner hoeft zijn eigen perspectief niet te verlaten. Als jij wil dat die potentiële partner met jou meebeweegt, zal je iets moeten verzinnen om dat voor die potentiële partner aantrekkelijk te maken, of zal je het zo moeten brengen dat die potentiële partner ziet dat het aantrekkelijk voor hem is.

 

Over de auteur: Duco Bannink is universitair hoofddocent Bestuurskunde aan de VU en hij houdt zich daar bezig met de “bestuurskunde van samenwerking,” vooral in het sociaal en medisch domein.